Vesting terminologie
Vestingterminologie bestaat uit een groot aantal woorden die tegenwoordig onbekend zijn bij velen.
Onderstaand vindt u een verklarende woordenlijst.
Bron:
- Kamps, P.J.M., P.C. van Kerkum & J. de Zee, 2004: Terminologie verdedigingswerken: inrichting,
aanvallen en verdediging (Stichting Menno van Coehoorn), Utrecht - Spijker, K., 2006: Muntelbolwerk/halve maan, BAAC-rapport 06.136, 's-Hertogenbosch
|
Archeologie |
Wetenschap die zich ten doel stelt om door middel van studie van de materiële nalatenschap inzicht te verwerven in alle facetten van menselijke samenlevingen in het verleden. |
|
Barbacane |
Buiten een middeleeuwse vesting- of kasteelpoort gelegen verdedigingswerk; afgeleid van het Arabische woord “barbakkaneh” (bolwerk voor de poort); ook wel bruggenschans. |
|
Bastion |
Vijfhoekige aarden of stenen uitbouw van een verdedigingswerk naar oorspronkelijk Italiaans ontwerp. |
|
Bedekte weg |
Doorlopende, door een aardenwal (glacis) geschermde weg aan de buitenzijde van de buitenste gracht van een vesting. Moest breed genoeg zijn om ook te kunnen dienen als gevechtsopstelling, vanwaar de infanterie in een vroege fase van het beleg de verdediging kon uitvoeren. |
|
Berm |
Smalle strook grond aan de voet van het buitentalud van een vestingwal, soms voorzien van een palissade of een doornenhaag; ook wel sluipwal. |
|
Bolwerk |
Nederlandse benaming voor bastion; ook gebruikt in de betekenis van verschansing of van een verdedigingswerk. |
|
Borstwering |
Dekking van aarde (grond), steen of ander materiaal, ter bescherming van erachter opgestelde schutters of geschut; in de middeleeuwen veelal bestaande uit gekanteelde muren, later meestal van aarde. |
|
Buitenwerk |
Algemene benaming voor delen van een vesting welke vóór de hoofdwal doch binnen de bedekte weg respectievelijk het glacis zijn gelegen; bij voorbeeld: contregarde, couvre-face, halve maan, hoornwerk, kroonwerk, ravelijn, tenaille, enz.; niet te verwarren met voorwerk. |
|
Courtine |
Deel van een vestingwal of –muur, gelegen tussen twee rondelen of bastions. |
|
Enveloppe |
Rond de hoofdgracht gelegen doorlopende beschermingswal, waarvan aaneengeschakelde buitenwerken kunnen deel uitmaken; was vaak ook voorzien van een bedekte weg. |
|
Face(n) |
De naar buiten gerichte delen van een bastion, die in de saillant samenkomen. Ook bij ravelijnen, contregarden en lunetten spreekt men van facen. |
|
Flank |
(van een bastion) zijde van een bastion die een hoek maakt met de aangrenzende courtine. |
|
Gording |
Houten koppelbalk voor langs de palen van een beschoeiing. |
|
Gracht |
Gegraven doorlopende hindernis rond een vestingwerk; in laag terrein doorgaans breed, ondiep en met water gevuld;p in hoog terrein als regel vrij smal, diep en droog. |
|
Halve maan |
In de hoofdgracht gelegen buitenwerk van een vesting, dienende tot dekking van de saillant van een bastion of ravelijn, de benaming is ontleend aan de naar binnen gebogen achterzijde (keel); soms ten onrechte gebruikt voor ravelijn, niet te verwarren met demi-lune. |
|
Hoornwerk |
Buitenwerk van een vesting, bestaande uit een courtine tussen twee halve bastions. De rechte lange flanken sluiten veelal aan op de vestinggracht. |
|
Inundatie |
Doorgaans defensieve onderwaterzetting van een terreingedeelte voor militaire doeleinden; zo mogelijk zowel onbegaanbaar als onbevaarbaar; wordt ook wel offensief gebruikt om een vijand te verdrijven. |
|
Keel |
Open achterzijde van een rondeel, waltoren, bastion, ravelijn, ed., waardoor gemeenschap met het overige deel van de vesting mogelijk is. |
|
Kesp |
Verbindingsbalk over de koppen van heipalen. |
|
Klampmuur |
Dunne muur voor een andere (oudere) muur ter verzwaring of als plaklaag om waterkerende muren van een kelder of regenwaterbak dicht te maken. |
|
Kroonwerk |
Buitenwerk van een vesting, bestaande uit meestal twee aansluitende gebastioneerde fronten en twee lange, enigszins naar elkaar toelopende flanken, die veelal aansluiten op de vestinggracht. |
|
Nieuw-Nederlands stelsel |
Laat-zeventiende eeuws vestingkundig stelsel, toegeschreven aan Menno van Coehoorn. Voornamelijk gekenmerkt door grote bastions, met holgebogen flanken die niet haaks op de courtine staan en door voor de courtine gelegen ravelijnen. |
|
Ontmantelen |
Het slopen (slechten) van een vestingwerk; soms ook amoveren genoemd. |
|
Oud-Nederlands stelsel |
16e/17e-eeuwse vestingbouwkundig stelsel, voornamelijk gekenmerkt door aarden wallen, natte grachten, bastions met rechte flanken die haaks staan op de courtines. |
|
Poort |
Meestal afsluitbare doorgang door een muur of wal van een vestingwerk. |
|
Ravelijn |
Midden voor een vestingfront gelegen, ongeveer driehoekig of redanvormig buitenwerk, ter dekking van courtine en toegangspoort, alsmede de schouderhoeken der naastliggende bastions tegen vijandelijk vuur. |
|
Rondeel |
Uit de muurtoren ontwikkelde, verzwaarde en verlaagde halfronde uitbouw van een vestingmuur, ten behoeve van de opstelling van flankerend geschut; voorloper van het bastion. |
|
Saillant |
Uitspringende punt van een bastion of ander vestingwerk, waar de facen samenkomen. |
|
Schietgat |
Schietopening in een wal of muur. |
|
Spaarboog |
Open boog in metselwerk om materiaal en arbeid te sparen, o.a. in funderingen. Vgl. grondboog. |
|
Varken |
Een kiellaag of schiftlaag. Met behulp van gespleten bakstenen wordt een laag metselwerk van verlopende dikte gemaakt om een fout te corrigeren. |
|
Vesting |
Versterkte stad; soms ook een groter verdedigingsgebied. |
|
Vlechting |
Dooreenwerking van metsellagen, metselwijze waarbij, loodrecht op de schuine kanten van een bakstenen puntgevel, wigvormige stukken zaagtandvormig in de horizontale laging worden ingelaten. |
|
Voorwerk |
Verdedigingswerk, gelegen vóór het glacis van een vesting, maar binnen het bereik van het ondersteunende vuur daarvan. |
|
Wal |
Dijkvormige aarden ophoging rond een verdedigingswerk, voorzien van een borstwering. |
|
Weergang |
Door een borstwering beveiligde loopgang op een vestingmuur of aan de binnenzijde daarvan. |